Schoon Vlaender-landt edel Gravinne,
Vervroeyt u nu al buyten keere,
Ghy hebt verworven paeys en minne,
Noyt mare vermaect dy dus seere:
Dijn lof end’ eere
Wast lanck soo breere,
Verblijdt u rasch metten verheughden:
Paeys is den oorspronck van alle vreughden.
Schoon Vlaanderland, edele gravin,
verblijd u nu uitbundig.
U hebt rust en vrede verkregen.
Nooit heeft een bericht u zo blij gestemd.
Uw roem en eer
nemen hoe langer hoe meer toe.
Sluit u snel aan bij iedereen die blij is.
Vrede is de bron van alle vreugde.
Den Vlamingh mach nu zeer wel lusten,
Wat mocht hy meer aen Godt begheeren?
Met paeys zal elck op zijn bedd’ rusten,
Met paeyse zal hem elck gheneeren:
Paeys sal beweeren
Des vyandts deeren,
Paeys sal ons houwen vul van deughden:
Paeys is den oorspronck van alle vreughden.
De Vlaming kan nu heel blij zijn.
Wat kon hij meer van God verlangen?
Nu er vrede is, kan iedereen gerust slapen.
Nu er vrede is, zal iedereen zich kunnen onderhouden.
De vrede zal
het kwaad afweren.
Vrede zal ons blijvend voorspoed brengen.
Vrede is de bron van alle vreugde.
Veur niemandt durven wy ons veynsen,
Niemandt en zal ons nu vercleenen:
Paeys heeft beweerdt ons achter peynsen,
Paeys heeft ghebluscht ons druckich weenen,
Paeys sal verleenen
Meer dan wy meenen,
Paeys is tvoedtsel van alle jeughden:
Paeys is den oorspronck van alle vreughden.
Voor niemand hoeven wij ons in te houden,
niemand zal ons nu minachten.
Vrede heeft onze zorgen weggenomen.
Vrede heeft ons droevig geween gestelpt.
Vrede zal ons meer brengen
dan wij ons kunnen voorstellen.
Vrede voedt alle levenslust.
Vrede is de bron van alle vreugde.
Almachtich Prince Godt hier boven,
Wy dancken u met goe bescheede,
Anders en meugh wy niemandt loven,
Ghy zijt Regent int sweerelts weede:
Dees Princen beede
Bewaerdt van leede,
Niet meer werden wy van d’ontweughden:
Paeys is den oorspronck van alle vreughden.
Almachtige prins, God in de hemel,
wij danken u met goede reden.
Niemand anders kunnen wij eren,
want u regeert de aardse velden.
Wij smeken u in deze Prince(-strofe):
vrijwaar ons van alle leed.
Nooit raken wij het spoor dan nog bijster.
Vrede is de bron van alle vreugde.
Spelling volgens Manilius 1574. Interpunctie volgens Van Waesberghe 1616. In versregel 4/3 staat bij Van Waesberghe 1616 “mach men” in plaats van “meugh wy”.
Vertaling: Nico van der Meel, Frank Willaert (Universiteit Antwerpen), Dieuwke van der Poel (Universiteit Utrecht).
Tekst:
.4a (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4b (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4a (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4b (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.2b (5): ‿ __ ‿ __ ‿
.2b (5): ‿ __ ‿ __ ‿
.4c (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4c (10): ‿ __ ‿ __ ‿ ‿ __ ‿ __ ‿
4 strofen van 8 versregels, waaronder twee zelfstandige halve regels. Stock van 1 versregel.
Alle strofen hebben exact dezelfde vorm, ook al verschuiven de betoonde lettergrepen behoorlijk vaak ten opzichte van de betoonde noten.
Dezelfde melodie als lied 14. Verder een unieke liedvorm volgens de Nederlandse Liederenbank.
Iansen: rijmschema 58 abab/bbcc, refrein van 7-en, 2 halfregels, 3 strofen + prince.
Dit rijmschema komt niet voor in de voorbeeldgedichten uit de Const van Rhetorijcken.
Annotaties bij Van de Graft, Van Duyse en Goossens.
Claeys merkt op dat Castelein op veel plekken in de Const van Rhetorijcken vrede beschrijft als een zegen voor de mensen. Speciaal wijst hij op dit dwarsverband:
- Stockregel x/8 met “Want paeys es den oorsprongh van allen vreughden” (Cauweel blz. 69, Manilius blz. 69).
Melodie:
Hypomixolydisch, sleutel C1, ₵
A1 (2 versregels) A2 (2) B (3), Refrein (1)
- A1/2: g’→g’, ambitus g’-c”, lengte 11
- B: c”→a’, ambitus d’-c”, lengte 9
- R: d”→g’, ambitus f(is)’-d”, lengte 7
Barvorm. Opvallend is de geringe ambitus van de Stollen.
Enkele hypomixolydische melodieën in de bundel vertonen verwantschap met het lied De lustelijcke mey. Jan Willem Bonda schaart deze melodie ook onder deze categorie, naar mijn idee ten onrechte. De Stollen lijken een tot op het bot uitgeklede versie. Er volgen wel direct twee halfregels op de Stollen, maar die vertonen een heel ander melodisch patroon. De grootste overeenkomst is nog dat de voorlaatste regel zich naar de a’ beweegt.
Vergelijk de liederen 7, 10, 13/18, 16/17, 23 en 31.
Dit lied gebruikt de melodie van lied 14 Fortune wien maect my vol zorghen. Daar hebben de twee laatste regels meer lettergrepen, meer betoningen en mannelijk rijm. In het algemeen zullen gelegenheidsliederen geschreven zijn op melodieën die al bestonden, zodat het waarschijnlijk is dat de melodie gecomponeerd is op de tekst van lied 14.
In het Abgesang zit een merkwaardige, maar niet onsympathieke verschuiving van het metrum. Het is mogelijk de noten in maat 12 t/m 15 een halve noot naar voren te schuiven, zodat de woordaccenten op de sterke maatdelen vallen. Dat alternatief past wel bij het feestelijk karakter van dit lied en daarom heb ik dit alternatief hier opgenomen.
Moderne uitgaven:
- Paul Fredericq: Onze historische volksliederen van vóór de godsdienstige beroerten de 16de eeuw, 1894, nr. 55, blz. 64.
Fredericq heeft weinig waardering voor het lied en noemt het “een onbeholpen juichkreet der Vlamingen”. Hij adstrueert dit door één versregel uit de tweede strofe aan te halen. Verder geeft hij alleen de eerste strofe. De melodie in moderne notatie is van de hand van Florimond van Duyse. - Cornelia Catharina van de Graft: Middelnederlandsche historieliederen, 1904, nr. 25 Lied op den Vrede van Madrid, blz. 150.
Spelling volgens Manilius 1574. Zonder muzieknoten, maar met annotatie en een historische toelichting. - Florimond van Duyse: Het oude Nederlandsche lied, tweede deel, 1905, nr. 420, blz. 1567.
Met annotaties, afwijkend van die van Van de Graft. Spelling vrijwel helemaalzoals in Manilius 1574. Aan het begin van de versregel staat er slechts een hoofdletter als er ook een nieuwe zin begint.
Het ritme van de melodie wordt door Van Duyse zo geïnterpreteerd dat betoonde lettergrepen precies samenvallen met zware maatdelen. Daarbij schuwt hij het gebruik van triolen niet.
Historische Context:
Vreugdelied bij de in 1526 gesloten Vrede van Madrid tussen keizer Karel V en koning Frans I van Frankrijk, die in de slag bij Pavia door Karel gevangen was genomen. (Over die slag bij Pavia: zie lied 16.) Cornelia Catharina van de Graft schrijft hierover:
Na lange onderhandelingen scheen Frans I in December 1525 besloten door bewilliging in de door Karel gestelde eischen een eind aan zijn gevangenschap te maken. Beide partijen benoemden opnieuw gevolmachtigden. Wat het landbezit betreft, gaf Frans machtiging tot afstand van Milaan, Napels, Genua, Doornik, Tournaisis, Mortagne, St.-Amand, terwijl hij afzag van alle rechten op Vlaanderen en Atrecht. Ook beloofde hij het hertogdom Bourgondië te zullen teruggeven met de daaronder behoorende heerlijkheden van Noyer en Chateau-Chinon, het burggraafschap van Auxonne en het gebied van St.-Laurent. Voor de verdere bepalingen zie men het tweede lied, dat eigenlijk niet meer dan een berijming van deze is, terwijl het eerste eenvoudig uiting geeft aan de algemeene blijdschap over den vrede.
De afstand van landbezit was alleen mogelijk, als Frans na zijn bevrijding zijn onderdanen tot toestemming kon bewegen. Karel wilde Frans nu op drie wijzen tot nakoming binden: als vader, als vorst en als edelman: Frans moest zijn twee zoons als gijzelaars afstaan, een eed zweren en zijne handteekening zetten, en bovendien zijn ridderwoord verpanden. Den 14den Januari teekende Frans het verdrag, doch daags te voren had hij in tegenwoordigheid van zes Fransche edelen verklaard, dat hij alleen door dwang toegaf en niet voornemens was zich eraan te houden, zooals de uitkomst bewezen heeft.