8

O schoonste van Venus Camerieren
Wat lyd’ ic druc en rouwe.
Hoe mach ons Fortune aldus bestieren
Met harer valscher trouwe:
Ghy zijt so schoon een vrouwe,
Ist dat ick u moet derven
En verliesen mijn amye,
Moet ick deur liefde sterven
En scheyden ick en ghye,
Dat clagh’ ick jalousye.

O, schoonste onder de dienaressen van Venus,
Wat lijd ik angst en verdriet!
Hoe kan het dat Fortuna ons zo misleidt
met haar valse trouw?
Jij bent zo’n mooie vrouw!
Als ik jou zou moeten missen
en zo mijn minnares verliezen,
dan moet ik van liefde sterven
en jou en mij uiteen laten gaan.
Dat verwijt ik de jaloezie.

Ick claghe des scheedens droefste ure,
Die noyt ter weerelt mocht ghesijn.
Niet beter en is mijn avonture:
Tfy jalousi valsch fenijn,
Ghy brocht my int swaer ghepijn,
T’sal noch al op u welven:
Nochtans waendy my verzeeren,
Gh’en doet, ghy quelt u zelven,
En doet u luttel eeren,
Ick hope het sal verkeeren.

Ik beklaag me over het allerdroefste afscheidsuur,
dat er ooit op aarde was.
Mijn lot is er niet gelukkiger door.
Bah, jaloezie, gemeen gif!
Jij bracht mij in zware kwellingen,
maar het zal helemaal op jezelf neerkomen.
Ook al meende je mij te kwetsen,
dat doe je niet, je kwelt jezelf
en je bewijst jezelf geen eer.
Ik hoop dat het zal verkeren.

Als ick overdincke tijd voorleden,
De tourkins ende de ganghen,
Hoe wy onslien doen tot vreuchden deden,
Ben ick tranich behanghen:
T’coleur van uwen wanghen,
Brijngt my in swaer ghepeynsen
Als ic nu daer af moet scheeden.
Hoe can hy op u greynsen?
Ghy const my noyt verleeden,
O God troost doch ons beeden.

Als ik terugdenk aan de afgelopen tijd,
aan onze handel en wandel,
aan hoe wij ons toen vermaakten,
dan ben ik vol tranen.
De kleur van je wangen
brengt mij in zwaarmoedig gepieker,
nu ik daarvan afscheid moet nemen.
Hoe kan híj́ nou op jou morren?
Jij kon mij nooit kwetsen.
O God, geef ons beiden toch hoop.

O lacen mijn overschoon Princesse,
Wilt doch mynen druck verlichten:
Ghy gaeft my int scheeden eene lesse
Dat ick op u sou dichten.
Ick claechs vrou Venus schichten,
En vloucke hem boven maten,
Die ons bringhdt in dees doleuren:
Ten sal nochtans niet baten,
Schoon lief en wilt niet treuren,
T’moet veel vremds dincs ghebeuren.

Helaas, mijn overschone prinses,
wil mijn smart toch verlichten.
Jij gaf mij bij het afscheid de opdracht
dat ik een gedicht over je zou schrijven.
[Daarin] beklaag ik me over de pijlen van Venus
en boven mate vervloek ik hem
die ons in dit verdriet bracht.
Maar het zal hem niet baten.
Mijn mooie lief, wil niet treuren!
Er gebeuren nu eenmaal veel rare dingen.


Spelling volgens Manilius 1574. Interpunctie volgens Van Waesberghe 1616, maar de komma aan het eind van 3/3 is wel gehandhaafd. In Van Waeberghe 1616 staat “jalousie” in 2/4, “overdincke den tijt” in 3/1, “Gh’en kons”t in 3/9 en “Wilt toch” in 4/2.


Vertaling: Nico van der Meel, Frank Willaert (Universiteit Antwerpen), Dieuwke van der Poel (Universiteit Utrecht).

Tekst:
5a (10): __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.3b (7): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ , 1×: .4B (8): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __
5a (10): __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.3b (7): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ , 1×: .4B (7): ‿ __ ‿ __ __ ‿ __
3b (7): __ ‿ ‿ __ ‿ __ ‿ , 1×: 4B (7): __ ‿ __ ‿ __ ‿ __
.3c (7): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
4d (8):__ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.3c (7): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.3d (7): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.3d (7): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿

4 strofen van 10 versregels.
De hierboven aangegeven verdeling in betoonde en onbetoonde lettergrepen is gebaseerd op hoe de tekst op de melodie gezongen kan worden. Als er louter naar de tekst gekeken wordt, lijken de versregels 1 en 3 eerder “‿ __ ‿ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿” te zijn. Het is om die reden dat de Nederlandse Liederenbank als versvorm “.4a” geeft. Die site geeft voor versregel 7 “.3d”, daarbij de eerste twee lettergrepen als een enkele opmaat ziend. En op nog meer plekken in dit lied is een verschuiving van de betoning door de melodie te zien.
Het is opvallend dat versregel 2/2, 2/4 en 2/5 mannelijk rijm hebben in plaats van vrouwelijk rijm, een zeer ongebruikelijke onregelmatigheid bij Castelein! Daardoor wordt de tekstplaatsing op de melodie noodzakelijkerwijs anders.
Unieke liedvorm volgens de Nederlandse Liederenbank.

Iansen: rijmschema 91 abab/bcdcdd, ballade van 9-en met verlengde staart, oftewel ball. van 10-en, 3 strofen + prince.
Dit rijmschema komt niet voor in de voorbeeldgedichten uit de Const van Rhetorijcken.

Claeys wijst op inhoudelijke dwarsverbanden met voorbeeldgedichten uit de Const van Rhetorijcken:

  • Versregel 4/2 met “Wild minen druck minderen en verkeerfven:” (Cauweel blz. 116, Manilius blz. 111),
  • Versregel 4/6,7 met “O valsch toebrijngher! die u ditte riet / En was myn vriend niet, dies ben ick expeert:” (Cauweel blz. 137, Manilius blz. 130/1).

Op het einde van de derde strofe duikt plotseling een hij-figuur op, een mopperende rivaal die schijnbaar ook niet genoeg aandacht van de geliefde krijgt.

Melodie:
Hypomixolydisch, sleutel C1, ₵
A1 (2 versregels) A2 (2) B (3), C (3)

  • A1/2: g’→g’, ambitus c’-c”, lengte 11
  • B: c’→d’, ambitus c’-a’, lengte 14,5
  • C: g’→g’, ambitus d’-c”, lengte 15,5

Barvorm. De verdeling hierboven van het Abgesang in B en C is tamelijk arbitrair. B is duidelijk lager dan C. Opvallend is dat de eerste versregels van zowel B als C een melodische slotformule hebben.