Laet loven dy, wien d’Inghels loven,
Ghy zijt Gods weerdste bruyd verheven:
Onslien bringhd ghy ten Hemel boven,
Dies hebdy groot verdriet beseven,
Noyt vrouwe en leedt sulck grief int leven.
U zij geprezen die de engelen prijzen.
U bent Gods verheven, dierbaarste bruid.
U neemt ons mee omhoog naar de hemel.
Daarom hebt u groot verdriet ondervonden:
nooit leed een vrouw zo’n grote smart in haar leven.
Wat leedt ghy drucks Maria vrouwe
Deur Symeons schoon prophetyen,
Doende verclaers, dat tsweerd van rouwe
Dijn eyghen siele sou duersnyen,
Groot last quam dy, veur cleyn verblyen.
Wat leed u een angst, vrouwe Maria,
door Simeons heldere profetie,
voorspellende dat het zwaard van de rouw
uw eigen ziel zou gaan doorsnijden:
een grote last kreeg u te dragen, die de kleine vreugde overtrof.
Hoe vondy u int fel beswaren
Alst Herodes dede becoopen
Al den kinders onder twee jaren,
En ghy moest naer Egypten loopen,
Dijn last groeyde met grooten hoopen.
Hoe wreed werd u gekweld
toen door Herodes’ toedoen alle kinderen
onder de twee jaar het moesten ontgelden
en u naar Egypte moest gaan:
uw last groeide in grote mate.
Wat hadde u jonck lichaem toren
Als ghy en Joseph bee vul minnen
Dijn kindt waendet hebben verloren,
En ghy hem vondt ten Tempel binnen,
Sonder Gods troost ghy moest ontsinnen.
Wat een pijn ondervond uw jonge lijf,
toen u en Josef, allebei vervuld van liefde,
dachten uw kind te hebben verloren
en u hem terugvond binnen in de tempel:
zonder Gods troost zou u uitzinnig geworden zijn.
Wat haddy gru, en swaer mishaghen,
Wat leedt dat herte bitter nepen
Als ghy dijn kindt saeght tcruyce draghen,
Ende hem ter doot by fortsen slepen,
Gheen mensch’ en had dit grief begrepen.
Wat een gruwel en zware ellende troffen u,
wat leed uw hart bittere beklemming,
toen u uw kind het kruis zag dragen
en met grote inspanning zich naar de dood zag sleuren:
geen mens zou zich deze kwelling kunnen voorstellen.
Met droefheyt groot waerdy bevanghen,
Swaer persse bracht dijn herte t’onder,
Als ghy hem saecht aent cruyce hanghen
En ghy en Jan bee stondt daer onder,
Ghy en const verstaen dit bitter wonder.
Met grote droefheid werd u bevangen,
een zware last deed uw hart bezwijken,
toen u hem aan het kruis zag hangen
en u daar samen met Johannes onder stond.
U kon deze bittere, verbijsterende gebeurtenis niet begrijpen.
Hoe anxstich waerdy van bedryve,
Hoe sneet den point van d’Bisschops sweerde,
Als ghy hem gherooft saecht vanden lyve
En van tcruyce gheleyd op d’eerde,
Ghy wist, aen hem hinc tshemels weerde.
Hoe gekweld was u,
hoe sneed de punt van het bisschopszwaard
toen u hem beroofd van het leven zag
en van het kruis afgenomen op de grond zag liggen:
u wist dat de hemelse glorie van hem afhing.
Wat bitter pijn moest ghy beslaven,
Hoe schraudy laes, droef van bewinde,
Als ghy hem dijns ondancks saeght begraven,
En scheeden moest van uwen kinde,
Voor tsweerelts goedt dijn hert hem minde.
Wat een bittere pijn moest u doorstaan,
hoe droef weende u helaas,
toen u hem tot uw verdriet begraven zag
en u moest scheiden van uw kind.
Van niets anders ter wereld hield uw hart meer als van hem.
Nu bid ick u schoon jeught ten fyne,
En slaet ons sondaers doch gheen swijcke,
Deur groot en smal dijn bitter pyne
Bringhdt ons in dijns kindts eeuwich rijcke,
Dwelck vul vreughdt is sonder ghelijcke.
Nu bid ik u, schone maagd, tot slot:
laat ons zondaars toch niet in de steek,
breng ons door uw bittere pijn, groot en klein,
in uw kinds eeuwige rijk,
dat vervuld is van ongeëvenaarde vreugde.
Spelling volgens Manilius 1574. Interpunctie volgens Van Waesberghe 1616.
Spelling volgens Manilius 1574. Interpunctie volgens Van Waesberghe 1616, maar in versregel 5/9 een komma toegevoegd naar analogie van de andere strofen. Aan het begin van regel 1,4 is een hoofdletter toegevoegd.
In de uitgaven van Manilius en Van Waesberghe is dit lied ongenummerd.
Vertaling: Nico van der Meel, Frank Willaert (Universiteit Antwerpen), Dieuwke van der Poel (Universiteit Utrecht).
Afwijkend lied:
In een aantal opzichten wijkt dit lied sterk af van de overige liederen in de Diversche Liedekins. Allereerst is het het enige louter religieuze lied in de bundel. Verder is dit het enige lied waar geen melodie bij gegeven wordt. Manilius liet dit lied ongenummerd en gaf het een eigen titel mee. De vorm van het gedicht is extreem regelmatig en daardoor totaal niet passend bij de overige liederen.
Het ligt voor de hand te denken dat Castelein dit lied heeft geschreven op een bekende melodie, maar een verwijzing daarnaar ontbreekt.
Tekst:
.4a (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4b (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4a (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4b (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
.4b (9): ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿ __ ‿
9 strofen van 5 versregels.
Alle strofen hebben exact dezelfde vorm. Daarbij moet aangetekend worden dat “ghy hem” in versregel 7/3 en 8/3 dan als samentrekking gezien moet worden, en in 4/4 en 6/3 juist niet.
Unieke liedvorm volgens de Nederlandse Liederenbank.
Iansen: rijmschema 53 abab/b. Zij schrijft: “Door extra b een voor de hand liggende uitbouw van nr. 51.” En rijmschema 51 is hij haar abab.
De voorbeeldgedichten uit de Const van Rhetorijcken passen niet op deze melodie. Het rijmschema is wel op vier plekken te vinden, maar alleen met afwijkend mannelijk en vrouwelijk rijm, of met afwijking in het aantal versvoeten per regel.
Annotaties in de uitgave van Goossens.
Claeys maakt geen gewag van dwarsverbanden met voorbeeldgedichten uit de Const van Rhetorijcken. Daarin is dan ook slechts één compleet lofdicht op Maria te vinden en daarnaast is één strofe van een ander gedicht aan haar gewijd. De smarten komen hierin niet ter sprake.
Strofe 1 is een inleidende lofprijzing. In de strofen 2 t/m 8 worden de zeven smarten van Maria bezongen, in Vlaanderen meestal de zeven weeën genoemd. Strofe 9 een afsluitend gebed om bijstand. In de eerste en laatste strofe wordt uitdrukkelijk gezegd dat Maria de mensen naar het hemelse geluk kan brengen dankzij haar eigen smarten.
Melodie:
Een passende melodie vinden bleek moeilijk, ook omdat melodieën met vijf regels relatief schaars zijn. Het dichtstbij kwam nog Mijn hart is heymelic getoeghen uit het Utrechts Sint-Agnes handschrift van rond 1480. Dat lied heeft als vorm .4a .4a .4B .4B .4a , in elk geval dus een lied met allemaal opmatige regels die een gelijk aantal betoningen hebben als Casteleins lied. Een prettige bijkomstigheid is dat het eveneens een Marialied is.

Ik kan me goed voorstellen dat Casteleins lied gebruikt werd bij het lopen in eenprocessie. Daarbij is het prettig een gelijkvormiger ritme van de regels te hebben. Ook de bijzondere regelmaat van de vorm van de tekst nodigt daartoe uit. Door het ritme van de eerste regel te combineren met het verdere melodieverloop van Mijn hart is heymelic getoeghen en aan het begin van de derde regel enkele noten toe te voegen heb ik geprobeerd Casteleins lied te voorzien van een passende melodie.
De melodie van Mijn hart is heymelic getoeghen is ionisch, sleutel C4, zonder aanduiding van maatsoort. Melodieverloop: c”→c’, ambitus c’-c”.